pieter de buysser naam logo

tmpphp07VdJBHet Kunstenfestivaldesarts is afgelopen. Ik heb de meest openbrekende dingen gezien, en de meest problematische, totalitaire, gezwellen van onze burgerlijke samenleving, feestelijk naast elkaar. Het hebben van een brede smaak is een talent dat ik ontbeer. Het is nochtans een teken van verfijning, en met een beetje persen zelfs een teken van aanslepende renaissance. Het komt denk ik doordat ik weet dat als die brede smaak net een millimeter te wijd  wordt we in een zwijnenstal terechtkomen. Voor je het weet verandert de truffelproever in het varken dat de truffel heeft gevonden.

Ik wou dat kunstuitinkjes me niet zoveel deden. Natuurlijk zijn het allemaal maar wanhopige sukkelpogingen om na te denken en vorm te geven en een toon te zoeken in een onverschillige kosmos. Maar een esthetische keuze is een ethische keuze is een politieke keuze is een dierlijke keuze is een menselijke keuze is een kosmische keuze is een mierenneukerskeuze. Ik moet breed overgeven van de brede smaak. Er is misselijkmakend aan het pluralisme van een kunstpubliek. Ik dacht dat het tijd was om uit de kast te komen — escape from escapism. En je ziet in twee weken tijd, in één en hetzelfde festival, hoe het ene werk een opening maakt en uit zichzelf spreekt, schreeuwt van de noodzaak dit te doen, en tegelijk zie je hoe een ander werk opnieuw de spectaculaire, blinde muur optrekt van onze massieve gewoontes.

Martens & Berlin

Ik zag een van de meest confronterende, briljante noodzakelijke kunstwerken die ik in lange tijd gezien heb: Enjoy Poverty van Renzo Martens. Een film waarin Renzo Martens probeert Congolezen aan te leren hoe ze van hun eigen armoede kunnen genieten, gesterkt door de cijfers van de Wereldbank: Congo krijgt 1,8 miljard dollar aan ontwikkelingshulp, ook al vloeit tot 70 % van dat bedrag terug naar de donorlanden. De eigen armoede blijft veruit de grootste bron van inkomsten, meer dan de uitvoer van koper, diamant, coltan en goud samen.   Renzo Martens toont onze perverse blik, hij steekt op indringende manier zijn Hollandse vinger in de wonde, hij toont wat er meest fundamenteel mis is en doet dat consequent, rigoureus, stap voor stap. Meesterlijk gestructureerd. Shockerend eenvoudig. ‘Enjoy Poverty’ lijkt me ook het vormelijke motto van zijn film. Eén inzicht tot in alle consequenties doordenken en je raakt in één blind moment aan de aleph van ons collectieve onvermogen.

Iemand die zichzelf zoals Renzo Martens op een stevig onfatsoenlijke manier ensceneert en een aantal morele vanzelfsprekendheden met gemak overschrijdt, doet dat omdat hij gelooft dat een kunstwerk een belang kan krijgen. Dat vind ik misschien nog het meest shockerende aan deze film: zijn haast grenzeloze geloof in het mogelijke belang van zijn kunstwerk en zijn bereidheid daarvoor te offeren. Renzo Martens overschrijdt niet eens meer ethische grenzen dan anderen; het enige verschil is dat hij van zichzelf laat zien dat hij dat doet. Zelden neemt  een werk zijn eigen gecompromitteerd-zijn mee op in wat het van zichzelf laat zien. Natuurlijk is het hondsbrutaal dat hij een groepje zwarten hoop geeft op een toekomst als persfotograaf om ze vervolgens als een baksteen te laten vallen. Renzo Martens laat die inherente brutaliteit zien. (Terzijde: als die zwarten echt te lijden hadden onder ‘de gebroken droom persfotograaf te worden’ dan was er helemaal geen probleem in Afrika, dan hadden ze gewoon typisch westerse besognetjes.)

Renzo Martens heeft het niet over het afgrondelijke onrecht van onze globale economie, daar zijn wel meer mensen over verontwaardigd, soms zelfs in ontroerende balletten, maar hij heeft het over hoe onze verontwaardigde blik tot stand komt. Wat wij ‘verontwaardiging’ noemen is meestal opnieuw kassa kassa voor onze eigen vertrouwde waarden, morele en financiële waarden gaan hand in hand. Wat wij verontwaardiging noemen is voornamelijk een speculatieve methode voor opwaardering van onze eigen waarden. Dat soort speculatieve constructies zijn een specialiteit van het kapitalisme: een van de wonderen van het kapitalisme is dat het een schuld met winst kan doorverkopen: het evenaart de wonderen van de metafysica. Zelfs in onze verontwaardiging willen we niets verliezen. Terwijl dat het net zou moeten zijn: in verontwaardiging speel je je waarden kwijt.  Dat doet deze film. En dat is behoorlijk uniek. De oude, kinderlijke, open wijsheid waarmee hij dat doet is van zeldzaam. Aan het einde van de film, nadat hij heeft geprobeerd de armsten onder de armsten van hun armoede te laten genieten, en nadat hij samen met hen heeft vastgesteld dat zelfs dat nooit zal lukken en dat hun kinderen altijd dikke hongerbuikjes zullen blijven hebben, zet hij zijn neonlicht op een kano. Er komt een soort aardse engel uit de zwarte rivier gezwommen, en dan horen we — als uitgeleide — enige refreinen van wat misschien een van de mooiste liefdesliederen ooit is: Jacques Brels ‘Quand on n’a que l’amour’. Dit is het cynisme zo ver tegen zijn eigen rand duwen dat het ervan openbarst, en je belandt in de ruimte van zijn tegendeel. Dit is een film over de liefde, en dat ze niets is, absoluut niets, dat ze geen fiets kan kopen en geen vis en geen elektriciteit, en dat ze alles is.  Dat is alles wat er is en het is niet en het is alles.

Twee dagen later ging ik kijken naar Moscow, een performance van het Antwerpse collectief Berlin. Zij doen exact waar Renzo Martens zijn vileine satire over heeft gemaakt: arme mensjes kijken op spectaculaire wijze. In Moscow krijg je een reportage te zien over het hedendaagse Moskou. Goed gemonteerd, goed gecast, de verschillende aspectjes van Moskou coverend, echt een prima eerste informatieve kennismaking met wat daar aan de hand is. Vergelijkbaar met een goede VRT-reportage, of een stuk in Knack of Mo Magazine. Maar het is duidelijk dat de makers het niet over Moskou wilden hebben. Ze wilden ons hun brevet laten zien van de hobbyclub voor metaforenblazers.

Moskou is een circus, wordt er in hun reisverslagje geopperd, dus je krijgt het filmpje te zien in een soort circustent, een grote lege bel die speciaal voor de representatie van het circus is gemaakt. Een metafoor mag al eens wat kosten. In Moskou staan een aantal betekenisvolle torens van Stalin en ter representatie van dat niet onaardige weetje krijg je de reportage in de tent te zien op een betekenisvol aantal schermen: ook een tweede metafoor mag wat kosten. Als de gretige reizigers afdalen in ondergrondse tunnels van Moskou, wel, dan gaan ook de schermen naar beneden, ter representatie van het naar beneden gaan . Naar mijn gevoel sleepte deze metafoor nu toch wel iets te veel mee naar beneden. Maar dat mocht het spektakel niet afremmen. Wanneer de flanerende reporters ons beelden laten zien van hoe de oproerpolitie tegen de betogende menigte begint te duwen, beginnen ter representatie van de duwende oproerpolitie ook de schermen tegen het publiek te duwen.

Het leek wel Ivo Van Hove die Eugene O’Neill regisseert: rebusdramaturgie, representatiefantasmagorie, gun toch de schelvis zijn rust als schelvis! Kunnen we de hang representatief te zijn niet laten voor de burgerlijke samenleving? Mag in het theater, in de kunst, een pladijs nog gewoon een pladijs zijn zonder dat dat arme dier representatieve beeldspraak moet torsen op zijn al zo fragiele vinnetjes? Als de hele samenleving een scene voor events is geworden, mag het toneel dan zelf niet de plaats worden waar niets geënsceneerd wordt? Waar de mensen en de dingen mogen zijn wat ze zijn, wat ze waren, wat ze worden en eventueel voor wat ze helemaal niet zijn en nooit zullen zijn en waarom niet helemaal niets? Maar spaar van ons van dat belachelijke iets dat moet staan voor iets anders. Hoe melancholisch is onze tijd? Hoe vervreemd, hoe immens het onvermogen zich te verbinden als we niet de klacht van de Moskoviet kunnen horen zonder dat we daar beeldspraak voor nodig hebben, of erger nog: er zelf een spectaculaire, zintuiglijke ervaring voor moeten meekrijgen? Is wat die vrouw vertelt over een nakende revolutie niet aangrijpend genoeg? Hoe pervers, hoe vulgair, hoe misplaatst zijn dan niet die dramatische violen van dat live-orkest?

Renzo, load the guns and shoot. Pluralism is a mistake.

Moscow: zet dat reisverslagje op YouTube of deel de dvd uit, en je hebt mensen iets gegeven. Het is belangrijk wat er in die stad gebeurt en een eerlijke getuigenis daarover is zinvol. Ik heb eerder werk van de mensen van Berlin gezien, dat zijn integere, eerlijke, bekwame mensen. Maar bouw een misplaatste IMAX multi-experience tent en je hebt mensen dezelfde kitscherige, overbodige spektakelzucht gegeven als waar de stad Moskou nu aan ten onder gaat. De kijker en de maker zijn betrokken partij, we zitten in dezelfde corrupte schuit. Het excessieve kapitalisme is niet iets van Russische oliebaronnen en turbotraders, het is iets dat onze manier van kijken en ons vermogen tot empathie heeft gepenetreerd. Red Moskou, blaas deze tent op, of beter: laat deze bel leeglopen. Game over.

Forsythe & Castellucci

Tijd voor de voorstelling waar ik het meest van genoten heb, waar ik uren, dagen in zou hebben willen doorbrengen: Heterotopia van William Forsythe. Ik weet niet wat er op de scène allemaal gebeurde: het was veel en het was open en het was duidelijk en precies. Ik moest lachen om spelers die met elkaar probeerden te praten maar geen gemeenschappelijke taal vonden en bleven doorgaan. Taal was prominent aanwezig: als spelverdeler en spelbederver, als blok aan het been of als Zweedse turntafel, maar nooit als die wanhopige doelgerichtheid waar wij taal wel eens voor bezigen. De spelers stonden voor mij en ik kon er vrij rond lopen, ik kon zelf kiezen waar en hoe en hoe lang ik keek. En ik zag die mensen met elkaar spelen en dansen, echt spelen, dat zie je bijna nooit in theater dat mensen echt spelen. Ik zag deze spelers woorden uitvinden, wat een mistroostige bezigheid is want woorden worden pas  woorden als ze gedeeld kunnen worden. Ik zag dat ze elkaar ondanks het gebrek aan taal perfect verstonden en ik denk: wat zit ik woorden te wikken en te wegen als deze mensen zonder taal elkaar even goed en even slecht begrijpen als wij, buiten deze voorstelling, die geloven wel een gemeenschappelijke taal te hebben? Ik zie loopgraven oorlog, burenruzie, ik zie echtelijke ruzie, ik zie mensen elkaar graag zien, ik was helemaal ontroerd door een man die achter een piano ging zitten en wilde beginnen maar hij deed zijn mond open en er klonk prachtig gemekker van een geitje. Er zitten ontzettend veel grapjes in en tegelijkertijd is het een soort oerkosmos, een begin van de mens als dartele larf, of het einde van de mens als dartele larf, kan ook. Ik moest denken aan de tragische vrolijkheid van Beckett, geen woorden meer, geen taal, en toch nog zoeken, of het zoeken opgeven want we verstaan elkaar toch niet, en wat dan, dansen? Het is concreet terwijl er geen enkele aanzet voor een anekdote is. Iedere toeschouwer is op zijn meest radicale individualiteit aangesproken, en toch is het theater: een gemeenschappelijke gebeurtenis. Het is teder, rigoureus, extreem consequent en verregaand en schaamteloos en zo vrolijk en zo tragisch en zo speels en zo muzikaal.

De ene avond zit je in de gedroomde heterotopie waarvan je hoopt dat ze — al was het maar in minimale bewegingen — zou kunnen uitdeinen over de randen van het theater en zacht onze samenleving ingolven, en de volgende avond zit je te kijken naar het spektakel van de Berlusconi van de internationale kunstenfestivals: Romeo Castellucci. Zo genereus Forsythe, zo totalitair Castellucci. Archetypische, fascistische spektakelretoriek. Grossist in kicks, u geserveerd met verfijning en in gesofisticeerde Italiaanse kaplaarzen. Castellucci, de lieveling van lamlendige westerlingetjes die vervreemd zijn van de nachtmerrie van de eigen historische conditie en graag hebben dat iemand met talent wat esthetisch komt nachtmerrieën, zo maken ze ook nog eens wat mee.

Het spookhuis op de Sinksenfoor, maar dan voor de burgerij, en zonder de eerlijkheid van griezelpaleis Scoobidoobidoo. Dit was de vierde en laatste keer dat ik een voorstelling van hem heb gezien. De hysterische tekstbrouwseltjes van Castellucci’s zus zijn van zo’n naïeve iconoclastische megalomanie dat je ervan versteld staat dat de inkt die deze letters drukt er niet van in de lach schiet. De beelden op de scène: verbluffend, zeer zeker, mooi zelfs, en aangrijpend. Maar niet voor in het theater, theater is een tijdskunst. Hier krijg je geen tijd. Maak die beelden in een tentoonstellingscontext en je hebt als kijker misschien kans om je op een andere manier tot die tekens te verhouden. In het theater is dit totalitair, dwingend, manipulatief, fascinerend, fascistoïde. Castellucci levert de perfecte prentjes bij Susan Sontags tekst ‘Fascinating fascism’. ‘The color is black, the material is leather, the seduction is beauty, the justification is honesty, the aim is ecstasy, the fantasy is death.’ Het gaat er me niet om hard te maken dat Castelucci een fascist is, dat is de man ongetwijfeld niet, het gaat me om de ideologie van zijn tekens, en de moed om die te durven lezen, voorbij de spektakelwaarde van een voorstelling.

Het is op zijn minst verbazend te noemen dat Castelucci, met zijn werk dat neigt  naar esthetisch totalitair fascisme,  ongeproblematiseerd geserveerd en genoten wordt, verwelkomd als een maestro van het hedendaagse theater, en dat tegelijkertijd iemand met een wereldbeeld, esthetica als Forsythe eenzelfde onthaal krijgt met werk dat het perfecte tegendeel is van dat van Castellucci. Net als Renzo Martens de tegenvoeter is van Berlin.  Nochtans is er iets dat al deze werken verbindt,  het zijn complexe werken, ze behouden gelukkig nog die gelaagdheid waardoor er een waterkans is dat ze  ontsnappen aan de ideologie waarin hun tekens zijn ondergedompeld. Zowel in het werk van Castelucci als in dat van Forsythe is een leegte aan het werk, een onuitgesproken openheid. Ook bij Castelucci. Het verschil is dat de leegte van Forsythe vitaliserend, uitnodigend, opwekkend werkt, het scherpt de geest en het eigen verbeeldings en denkvermogen. De leegte van Castelluci werkt bedwelmend, dwingend, en duwt je in een zompige poel van archetypische ellende.  Dan gaat het over kiezen: welk soort werk is vandaag relevant? Welk soort werk is een symptoom van zijn tijd, welk soort werk pharmakon?

Suggereer ik dat de programmatie van het kunstenfestival haar werk niet goed gedaan heeft door tegenstrijdig te kiezen? Integendeel: ik denk dat de wijze van kiezen en programmeren van het kunstenfestival raakt aan één van de heetste kwesties waar we vandaag in onze pluralistische samenleving mee zitten. Dat dit problemen en verregaande vragen oproept is net een kwaliteit, en het bewijs dat het raakt. Het kunstenfestival heeft een, denk ik,  eerder intuïtieve keuze gemaakt voor een aantal kunstenaars, en nadien zijn er een aantal rode draden vastgesteld die dan in de programmatie en de omkadering meer naar de voorgrond gebracht werden. Het uitzonderlijke van het kunstenfestival is dat het respect heeft voor precies de eigenheid van een goed kunstwerk om oneigen te zijn, om te ontsnappen aan zijn eigen definitie. Gerichter, dwingender en in zekere zin zelfs “consequenter” kiezen zou al snel  het festival herleiden tot een zoveelste curatoren speeltje, een globaal plan dat de ongrijpbaarheid van een werk inkapselt in een concept of een ideetje van de curator. Het kunstenfestival doet dat net niet, zoekt net dat evenwicht op tussen respect voor de individuele kunstenaar en zijn oneigenlijk werk en een breder verhaal. Dat is precies de oefening die noodzakelijk is in onze pluralistische samenleving: hoe het respect voor de verschillende particuliere (on)eigenheden niet te laten uitmonden in een alomvattend verhaal, en hoe het tegelijk noodzakelijk bredere, gezamenlijke verhaal niet te laten verzanden in miskenning van de particuliere eigenheden. Het probleem dat ik heb is het gevolg van wat ik net de grootste kwaliteit vindt van het kunstenfestival: die kwaliteit is het laten zien van het onherleidbare falen van een pluralistische samenleving, zonder ze op te geven, de erkenning van dat falen blijkt net constitutief te zijn voor het pluralisme, de onophoudelijke, steeds herhaalde mislukte oefening in pluralisme is net de mogelijkheidsvoorwaarde voor een levensvatbaar pluralisme. Net deze vrij unieke manier van programmeren blijkt in het hart te koteren van onze samenleving, en het lepelt fundamentele vragen op. Dat daar stinktruffels tussen zitten is geen verwijt, is eerder een compliment. Maar we zitten wel met de stinktruffel: het pluralisme van de kunst. Allemaal belijden we overtuigd dat kunst intrinsiek belangrijk is, maar als je het dan ook echt belangrijk vindt dan kom je wel in de problemen. Want zodra je iets belangrijk vindt is het niet meer eender, dan kunnen een aantal dingen echt niet meer of je ontkent de regels van het spel dat je zelf speelt op leven en dood.

Maar het blijkt te werken: Enjoy Poverty naast Moscow, Heterotopia naast Purgatorio. Dat marcheert. Maar waar gaat die pluralistische mars naartoe? Dat marcheert maar door. Als alles naast elkaar staat, holt het dan elkaar niet uit? Terwijl het doormarcheert? Zoals varkens die mekaar de darmen uit de buik beginnen te eten?

(Ik droomde van een andere ark, een ander schip voor een andere overtocht, een ark waarin alles aan alles gerelateerd was, touwtjes naar overal, zo een absoluut relatieve ark, en de draadjes vormden boven de ark een kluwen, een ragfijn kantwerk, zo dicht dat het een zeil werd, en er was geen God die zei ‘nu de zondvloed’ en er was ook helemaal geen zondvloed, er was een zuchtje wind van een voorbijrijdende bus van De Lijn, en de absoluut relatieve ark deed het daarmee en zeilde een beetje verder.)