pieter de buysser naam logo

zonnigeBijdrage voor het colloquium: “Tragedie en tragiek, perspectiefwisselingen aan het begin van de 21ste eeuw”
Universiteit Antwerpen, departement wijsbegeerte, FWO
Met Sien Eggers en Gene Bervoets
Tekst: Pieter De Buysser

 

De actie:
In deze bijdrage wordt een theatrale poëtica te water gelaten.
Een zonnige verschrikking bepaalt haar koers door het tragische uit de traditie van de tragediën, en door de vooruitgangsverbeelding uit de traditie van de historische avant-garde. Ze spelen en denken samen.
De plek:
Het kantelpunt van een tijdperk.

Een zonnige verschrikking

Pieter: Dames en heren: welkom. Wij zullen voor u, nu,  “een zonnige verschrikking” te water laten.
Sien: Gaat het met u?
Gène: Het gaat ja. Gaat het met u?
Sien: Met mij gaat het en dat is geweldig.
Pieter:  Als “het” gaat, is het goed. Als “het” niet gaat is het niet goed. Over het algemeen ben je beter af waneer het gaat. Maar wat is die “het”?  Dat onbepaald “het” waarvan we iedere wel dag iemand toewensen dat het met hem of haar  meegaat? Wat een vreemde, misschien zelfs gevaarlijke wens eigenlijk: we weten bitter weinig van “het” en toch wensen we van harte dat “het” met hem of haar gaat.
Gène: Het gaat ja.
Sien: Met mij gaat het dus heel goed.
Pieter: Een onbepaald “het”, een “het” waar we geen vat op hebben, dat nooit verder benoemd wordt dan dat het “het” is. Als we hopen dat het met je gaat, betekent dat ook dat het omgekeerde iets is dat we niemand toewensen.
Gène: Nu, om eerlijk te zijn, met mij gaat het eigenlijk niet echt goed, om niet te zeggen dat het eigenlijk echt niet gaat met mij.
Sien: Ja met mij daarentegen gaat het steeds beter, zo goed dat het met mij gaat.
Pieter: Je hebt er alle belang bij dat het met je gaat, ook al blijft “het” volstrekt duister, onvatbaar en resistent voor iedere poging tot verstandelijke toe-eigening. Toch kunnen we uit het gebruik van “het” één en ander afleiden: als iemand zegt “het gaat”. Dan kan je er van op aan dat het niet bijster goed gaat.
Sien: Met mij gaat het echt zalig zelfs als ik erover nadenk, echt het gaat zo goed met mij, en met u nu?
Gène: Het gaat.
Pieter: “Het gaat” is ok, maar het is niet ideaal. Het gaat immers altijd, met of zonder subject, willen of niet.
Gène: Het gaat.
Pieter: Als iemand zegt: “het gaat”, drukt hij zijn gelatenheid uit, een zeker voorbehoud tegen de maakbaarheid van de samenleving, het besef dat er altijd iets kan gebeuren dat buiten zijn plannen en berekening valt. Een besef dat hem daadkracht ontraadt, en hem eerder laat verwijlen bij het inzicht dat zijn berekeningen beperkte slaagkansen hebben.
Gène: Het gaat.
Pieter: Iemand die zegt: “het gaat” is alleszins niet in volle creativiteit, hij is geen beslissende keuzes aan het maken, niets echt aan het verwerkelijken: hij kijkt naar de werkelijkheid en stelt daarbij vast dat het gaat.
Gène: Het gaat.
Pieter: Hij contempleert het besef dat zelfs onze beste berekeningen beheerst worden door het onberekenbare.
Sien: Met mij gaat het dus fantastisch echt waar, ik ben! Ongelooflijk toch: Ik ben. Zo goed dat het met me gaat.
Gène: Het is dat het gaat.
Pieter: Er is “zijn” en er is “gaan” en die twee werkwoorden zijn aan het werk zonder hem.
Sien: Met mij gaat het echt heel goed.
Pieter: Als het goed met je gaat, dan ben je goed bezig, dan ben je met “het” in een constructieve relatie: het doet iets met jou en jij doet iets met het, het gaat goed met je. Wat is nu die het? Wat is die “het” waar we zoveel belang aan hechten dat het met ons meegaat?
Gène: (slaat achterover op zijn stoel)
Pieter: Het is het tragische. “Het” is een afgrondelijke, aan alles voorafgaandelijk onpersoonlijkheid waar iedere betekenis stuk op loopt. “Het” is het tragische dat op je hoofd terechtkomt, en geen rekening houdt met je plannen, je oordelen, of je fortisverzekeringspakketten. Het  “het” - dat ik vanaf nu het tragische noem-, vergezelt ons iedere dag.
Sien: (helpt Gène recht) Trek het u niet aan: het gebeurt iedere dag.
Gène: Miljaar de miljard de miljard de dju!
Pieter: Haar banaliteit staat in schril contrast tot de emoties die ze opwekt. Haar voorkeur voor verloren momenten staat haaks op het eeuwigheidskarakter waarmee ze toeslaat. Aan het tragische is –per definitie- niet te ontkomen.
Gène: Ik ging hier net iets zeggen, iets revolutionair aankondigen, een nieuw genre, een kunstvorm uitvinden, een...
Pieter: Het tragische is onvatbaar voor de tijdsgeest, voor kunststromingen, voor avant-gardes, oorlogen, genocides of salonrevoluties. Het staat niet buiten de tijd, het heeft een geheime liaison met de tijd. Zoals u weet heeft het tragische binnen de kunsten haar vaste stek gevonden in het genre van de tragedie.
Sien: (tot Gène) Maar je hebt nog niet de juiste vorm gevonden denk ik ...
Pieter: De tragedie is een specifiek dramatisch genre met bepaalde formele regels. De tragedie heeft ook een gehandicapt zusje: de komedie, zij is even begaan met het waarvan ik hoop dat het met u meegaat, alleen is zij iets zotter van aard. Zo alomtegenwoordig en onveranderlijk het tragische is, zo onderhevig aan de tijdsgeest is de tragedie.
Gène: De tragedie misschien, de tragedie? De tragedie?
Pieter: De tragedie als dramatisch genre kent zijn momenten van bloei en zijn momenten van verkommering. Het tragische trekt zich van het wisselen van de seizoenen geen fluit aan.
Sien: Een dakpan maakt het niet uit of ze nu valt op de kop van een Chinees in 6000 voor Christus, de kop van een boerke in de Middeleeuwen of de kop van een bediende van de Fortisbank. De dakpan: die valt. Maar de manier waarop we daarom treuren is ander in China dan in Fortisland.
Pieter: De tragedie is een genre dat met zijn tijd meegaat, maar dat betekent niet dat er geen wezenskenmerken zouden zijn van het genre, die onveranderlijk terugkeren.
Gène: Ten eerste: Het perspectief en de houding die aan de grondslag liggen van de tragedie zijn een behoudsgezinde. Hoeveel kritiek er in de tragedies ook op de instellingen wordt geformuleerd, fundamenteel is ze conservatief. Conservatief en nationalistisch. Ze is dat om twee redenen: één extern en één intern. Ik begin met de externe redenen. In de 4de eeuw voor Christus bloeide de Griekse tragedie op. Dat is de periode waarin het immense gevaar dreigde van de oorlog met het zoveel grotere Perzische rijk. Bij de hoogtepunten van de Franse tragedie zien we een gelijkaardige gelijktijdigheid tussen oorlog en bloei van de tragedie. De Franse tragedie ontstond in de tweede helft van de 17de eeuw. Onder het gevaar van een vernietigende burgeroorlog van de Katholieke Franse staat en het Jansenisme. Ook de hoogdagen van de Elizabethaanse tragedie zijn gelijktijdig aan de verlokkingen van de dreigende, vreemde oceaan en de nieuw te veroveren gebieden. Alle oceanen moesten Brits worden en de tragedies bloeiden. Overal zien we dat de periodes van heftig nationalisme, gevoed door veroveringsdrang of door een bedreiging, periodes waren waarin de tragedie bloeide. Maar de tragedie is ook intern conservatief. De tragedie moet de moraal van de burger versterken. Ze bevestigt de bestaande morele orde. In de tragedie zien we de ceremoniële herhaling van iemand die de wet overschrijdt. Het publiek siddert en beeft. Zo veel verschrikking als gevolg van die overschrijding, en in het vervolg gehoorzaamt het publiek de goden en aanvaardt het zijn lot. Een behoudsgezindheid trouwens die ook blijkt uit de formele aspecten van de klassieke tragedies: het genre blinkt niet uit in durf, experimentele inventiviteit, of transgressie van haar eigen formele wetten. De tragedie, zelfs de meest subversieve en twijfelzieke tragedie, speelt zich af in een kader waarin uiteindelijk de ethische en esthetische wetten gekend zijn, en als ze niet gekend zijn toont het de verschrikkingen die het verlies van die kennis met zich meebrengt. De tragedie staat uiteindelijk altijd aan de kant van de goede orde.
Pieter:  Het zal u niet ontgaan zijn dat we momenteel ook in staat van oorlog zijn. De katholieke God wordt weer in al zijn glorieuze zichtbaarheid uit de kast gehaald want hij moet vechten tegen die Allah van de moslims.  Onze waarden moeten versterkt worden tegen de invallen van de barbaren. Dat betekent dat wij ons waarschijnlijk de komende jaren kunnen verwachten aan een bloeiperiode van de tragedie. Dit historisch perspectief maakt dit hier plots acuut. De tragedie is het genre van de toekomst. Hoe meer de messen gewet worden, hoe stralender de toekomst van de tragedie. Het tragische, nogmaals trekt zich daar niets van, dat zorgt ervoor dat er al een vingerkootje sneuvelt nog voor het zwaard op een iet of wat respectabele manier getrokken is.
Sien: Haast haaks op de traditie van de tragedie, is er de traditie van de avantgarde. Zij wil vooruit. Zij heeft niet zoveel oog voor het tragische. De historische avant-garde bestond uit mannen met plannen. Zij dronken zich moed in met de utopie dat ieder kunstwerk een hartversterkertje is voor de zich emanciperende mens. Terwille van die zich emanciperende mens, die dwaze kloot die het toch in zijn kop blijft halen om plannen te smeden ter verbetering en bevordering van het algemeen welzijn, terwille van hem ontwikkelde Adorno zijn gedachten over een historische avant-garde. Revoluties binnen de taalvormen, zoals die van Schönberg of Beckett, waren uitingen van een avant-garde die het esthetische domein overschrijden: ze hadden als doel een alomvattend samenvallen van de esthetische ervaring met de dagelijkse, existentiële ervaring. Een grote utopie die voor Adorno verbonden was met het revolutionaire marxisme en met wat Nietzsche “de kunst van het kunstwerk” noemde, of de esthetische beschrijving van het gehele bestaan. Het kunstwerk in de frontlinie van de emancipatie en de vooruitgang.  De avant-garde wilde het “het”, dat best met u meegaat, nogal eens veronachtzamen. Maar ze kende wel een power.
Gène: Une joyeuse force qui va!
Sien: Een zonnige verschrikking.
Gène: Met Sien Eggers.
Sien: En Gène Bervoets.
Gène:  Een zonnige verschrikking. Ik was kapitein van de lange omvaart.
Sien: Goeiedag kapitein, mag ik mee?
Gène: Wel ja natuurlijk, kom maar aan boord.
Sien: Kapitein?
Gène: Ja.
Sien: Waarheen varen we?
Gène: We gaan naar een eiland hier ver vandaan. Daar waar de zon een lied zingt tot diep in je borst, haar stralen zich om je hart slingeren en harop de zon je hart uit je borstkas rukt en uitstrooit in de mooie, zachte wind.
Sien: Oh kapitein!
Gène: Ja dat zeg je goed, we gaan naar de zon, het land van de zon!
Sien: En ik ga mee!
Gène: Ja zeker !
Sien: Maar zullen we niet verbranden in de zon ?
Gène: Ja zeker !
Sien: Oh nee!
Gène: Maar we zijn er nog niet !
Sien: Gelukkig. Euh, kapitein?
Gène: Ja meisje.
Sien: Ik zou toch liever terug uitstappen.
Gène: Te laat. We zijn vertrokken, de zon heeft zich in onze harten gebrand en we raken haar nooit meer kwijt, ze is het allermooiste en het allerwaarste en het allerbeste, ze is absoluut en onaanraakbaar, je kan haar niet zien zonder blind te worden, en eens je haar vermoedt, dan kan je niet meer weg.
Sien: Kapitein?
Gène: Ja meisje.
Sien: Voor dat verhaal hier helemaal uit de hand loopt zou ik toch graag uitstappen.
Gène: Het verhaal zal uit de hand lopen het is hier al goed bezig.
Sien: We hebben een begin gehad, ik denk dat dit het midden is, kunnen we dan nu naar de ontknoping?
Gène: Neen ! De ontknoping is op drift geslagen en wij dobberen rond.
Sien: Vreselijk!
Gène: Ja meisje vreselijk, maar wij weten tenminste dat wij naar de zon gaan...
Sien: Maar ook dat we er niet zullen geraken!
Gène: En dan, let dat ons?
Sien: Oh nee.
Gène: Wees blij meisje, wees blij! Want dit is geen tragedie.
Sien: Maar wel tragisch.
Gène: Dit is verschrikkelijk verheffend tragisch, jawel, maar geen tragedie.
Kijk toch meisje, misschien is dit, dit uitvaren, deze zonnige verschrikking, deze blije zonnige tocht, het begin van het vrije subject. Het vrije ik en het vrije jij, van gelaat tot gelaat, hier varend onder de zon, hier zijn wij, door de genadeloze scheppende schoonheid, scheppende goedheid en scheppende waarheid van de zon opgeroepen, gebonden en vernederd, zo varen wij vrij, oog in oog met de tragische verschrikking.
Sien: Maar waarheen varen we kapitein? Moest dit een tragedie zijn zou ik tenminste weten dat na deel één deel twee komt en dan deel drie en dat we kunnen afronden met een epiloog en dan naar huis.
Gène: In de zonnige verschrikking is geen thuiskomst, er is enkel dit blijvend vertrek.
Sien: Maar zo’n beetje structuur, kapitein, zodat ik weet waaraan en waaraf ?
Gène: De zonnige verschrikking is een genre dat keer op keer, bij ieder uitvaart opnieuw, zoekt naar zijn eigen formele wetten en structuur. De zonnige verschrikking weet dat de Wet met hoofdletter zich niet laat kennen, omdat de kennis van de Wet verschroeid wordt door de scheppende zon, en daarom, meisje, zijn wij veroordeeld te sturen volgens kleine wetjes, dag per dag, golf na golf. In de tragedie was de Wet gekend. Maar wie zoals wij leven van de Scheppende Zon, die weet dat de ware kennis van de Wet enkel terug te vinden is in de onleesbare as, in de as van de ware kennis, altijd al verschroeid door de Scheppende Zon. Wij kennen de Wet niet. In de tragedie is de Wet gekend, en daarom kunnen de tragediespelers zich houden aan steeds dezelfde formele wetten, drie delen en een epiloog bijvoorbeeld, maar wij weten dat waar men vroeger dacht dat men de ware kennis van de Wet las, men eigenlijk enkel zichzelf las in de as van het schrift, in het  door de Scheppende Zon altijd al tot as herleidde Schrift.  En daarom zijn wij dag per dag, golf na golf, op zoek, tastend, seconde per seconde perspectief kiezend en gebonden aan een grondeloze verantwoordelijkheid,  naar de kleine wet die ons tot leiddraad kan dienen.
Sien: Hoe moet dit dan eindigen?
Gène: Niet. Er is geen einde.
Sien: En wat als ik zeeziek wordt?
Gène: Dan moet je gewoon eventjes kotsen, liefst over de reling, en dan gaan we voort. Er is geen weg terug, en in alle eerlijkheid: er is geen andere weg.
Sien: Wacht, ik heb een idee. Als we toch ons perspectief zelf moeten kiezen, dan kunnen we toch evengoed het perspectief kiezen dat de Wet kenbaar is en toch tragedies blijven spelen? Snappie? Dan ben ik nog op tijd thuis, want dan moet seffens de epiloog komen en dan zit het erop.
Gène: Dat is zwemvestjes-ethiek. Wij gaan leren varen. Ze zullen al met teveel zijn de komende eeuw om te doen alsof de Wet en God de vader toch bestaat, al was het maar om zich te kunnen vergapen aan het hanengevecht met Allah. Dat doen alsof begint onschuldig, totdat ze helemaal opgaan in het spel en ze vergeten zijn dat ze eigenlijk deden alsof, dat is het begin van het einde. En een zonnige verschrikking kent, net zoals onze verantwoordelijkheid, geen einde.
Sien: Wordt dat op de duur niet wat saai?
Gène: Nee, want je probeert altijd vooruit te gaan.
Sien: In de tragedie toch ook: scène 1, scène 2, scène 3 en zo vooruit tot de laatste scène...
Gène: Ja, in de tragedie ga je vooruit binnen het kader van de tragedie. In de Zonnige Verschrikking probeer je uit de kaders te breken. In de tragedie kijk je toe op de onafwendbare ontwikkeling van het noodlot. Dat is het verschil: in de tragedie kijk je toe, in de zonnige verschrikking kijk je open. Maar we zijn allebei even verbonden met het tragische. Het is net uit die binding met het tragische dat de zonnige verschrikking zijn vrijheidsliefde haalt. Het tragische in de tragedie is een knuppel: het slaat je bont en blauw tot je gelouterd de zaal uit kruipt. Het tragisch in de zonnige verschrikking is het zelfde tragische stuk hout als de knuppel in de tragedie, maar hier is het een blinde geleidestok. De Scheppende Zon heeft onze ogen verblind, het Doel met hoofdletter heeft ze uit onze ogen weggebrand, en we gaan voorzichtig, op de tast, met onze blinde geleidestok vooruit. Het tragische of de blinde geleidestok in de zonnige verschrikking is trouwens multifunctioneel: je kan hem ook gebruiken als stokje om de subliemste muziek mee te dirigeren, of om een bord gentse waterzooi op zijn grieks op te laten ronddraaien, of...
Sien: Waarom moeten we altijd vooruit?
Gène: Omdat dat dat ons lot is. We kunnen niet anders. Vooruitgaan is ons lot. Dat is de intieme verwantschap tussen de tragedie en de vooruitgangsverbeelding van de avantgarde: vooruitgaan maakt integraal deel uit van ons tragische, onvermijdelijke lot. De tragedie wil dat niet geweten hebben. De tragedie houdt het bij morele zuivering en bevestiging van de bestaande morele orde. De zonnige verschrikking wil vooruit omdat ze erkent dat de mens niet anders kan. “Amor Fati”, of “bemin je lot”, impliceert “Amor Avanti”, of “bemin je vooruitgang”.
Sien: Maar we weten niet waar naartoe we gaan?
Gène: Een vaag vermoeden.
Sien: Je zei daarnet naar het land van de zon.
Gène: Bij wijze van spreken natuurlijk.
Sien: Ken je zo nog wijzen van spreken?
Gène: Ja natuurlijk we zijn nooit in dat land geboren en het is zelfs vreemd aan alle aangeboren natuur, het is nooit ons vaderland geweest en zal dat nooit zijn, we zullen ons zelfs nooit tot daar verplaatsen, we hebben er geen ene verwantschap mee, ons verlangen naar daar kan nooit worden vervuld, en we kunnen er niet eens adequaat over spreken maar het is wat ons doet spreken...
Pieter: Hier moet ik helaas onderbreken. De zonnige verschrikking is bij deze vertrokken. Waar ze naartoe gaat, wat ze op haar tochten zal meemaken, is niet geweten. Ze kent geen regels en ze kent geen wetten, haar alles bepalende regel en Wet is het ongekend-zijn van de Wet. De zonnige verschrikking is tragisch en fataal gebonden aan de erkenning van die onkenbaarheid. Het is wat haar oproept, wat haar aandrijft, wat haar voortstuwt. Het is wat in haar het verlangen ontsteekt naar iets heel anders, iets altijd heel anders, naar het absoluut andere. Het is dat verlangen dat gesprek mogelijk maakt: van gelaat tot gelaat, van subject tot subject. In de zonnige verschrikking kan worden gesproken, in plaats van dat de lippen worden uitgeleend aan het anonieme spreken van noodlot en geschiedenis. Haar uitkomst is onvoorspelbaar, maar haar eschatologische gloed breekt met de totaliteit van de zich ceremonieel herhalende tragedie. Ze treedt voortdurend buiten de oevers van haar eigen zijn. Ze maakt plaats voor de idee van het zijn dat de grenzen van onze door tragiek doordrongen geschiedenis overschrijdt. Ze stelt zich open voor de volle doorbraak van de exterioriteit. En dat maakt van haar personages bannelingen, altijd weg van huis.
Ik hoop dat het u goed gaat, dat u en het samen goed gaan, waar u ook gaat, waar het ook gaat.

Pieter De Buysser
29 oktober 2005

Head